Hendrika van Gelder

Op zoek naar Hendrika van Gelder

 

 

 

 

 

 

 

Dit zelfportret in pastel kennen we alleen van een zwart-wit foto uit het weekblad De Vrijdagavond. In 1925 gaat de journalist Joseph Gompers op atelierbezoek bij Hendrika van Gelder. Enkele werken worden op de foto gezet en beschreven, waaronder dit zelfportret. Gompers roemt de stofuitdrukking en het frisse, sprekende coloriet: het werk van een begaafd portrettist.

Het origineel van dit portret is verloren gegaan, zoals veel werk van Hendrika van Gelder, die in 1943 werd gedeporteerd. Toch zijn ook kunstwerken gespaard gebleven en daaraan kunnen we zien dat zij inderdaad mooie portretten maakte en een verfijnd kleurgevoel had. Neem het indrukwekkende portret dat ze in 1914 maakte van mijn nog jonge, knappe grootmoeder en de twee lieftallige kinderportretten van mijn toen driejarige tante Eka (catalogus 1, 2 en 3).

Mijn grootvader moet er blij mee zijn geweest: de portretten kregen een ereplaats in het huis in de PC Hooftstraat boven zijn kantoorboekhandel. Daar zijn ze bijna honderd jaar blijven hangen, totdat de jongste dochter, mijn tante Phemia, naar een verzorgingshuis ging.     

Een digitale speurtocht
De portretten maakten zo vanzelfsprekend deel uit van mijn leven dat ik er nooit echt goed naar had gekeken. Pas toen ze na de dood van mijn tante in mijn bezit kwamen, werd ik nieuwsgierig naar hun maakster. Wie was deze kunstenares die mijn grootmoeders schoonheid, maar ook haar terughoudendheid zo treffend had weten vast te leggen? Wie was Hendrika van Gelder?

Zij bleek een achternicht van mijn grootvader te zijn. De familieband maakte mijn onderzoek iets makkelijker, maar niet veel: Hendrika van Gelder was Joods. Zij werd gedeporteerd en vermoord door de nazi’s en zoals bij veel lotgenoten leken haar leven en werk praktisch uitgewist na 1945.

Maar de tijd staat niet stil: digitalisering maakte nieuwe gegevens en contacten toegankelijk, en ik heb veel hulp gekregen bij het opsporen van werk en informatie. In 2021 wist ik genoeg over haar om een biografische schets te kunnen publiceren op het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. Hier, op mijn eigen website, is plaats voor een uitgebreider levensverhaal en een catalogus van teruggevonden werken en documenten. Aanvullingen zijn welkom!

Zesde van twaalf kinderen
Hendrika van Gelder, roepnaam Riekie, wordt geboren op 7 mei 1870, als zesde kind in een Joods gezin met twaalf kinderen. Haar ouders zijn Reintje Simons en Abraham (Bram) van Gelder. Abraham komt uit een geslacht van edelsmeden en handelaren in zilver en goud.

Zijn vader Emanuel verhuisde in het midden van de negentiende eeuw met zijn gezin uit Schoonhoven naar de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam. Tot 1908 woont het gezin van Abraham en Reintje op de Oudezijds Voorburgwal 156. De goud-, zilver- en juwelierszaak van E.A.van Gelder & zonen is gevestigd op de Oudezijds Achterburgwal 119 en 119a.

Het gezin van Gelder in 1873. Het negende kind Estella is dan net geboren. Riekie zit linksvoor op de grond.

Drie oudere broers van Riekie emigreren nog voor 1900 naar Amerika; de andere broers en zusters trouwen allen. Als enige ongetrouwde dochter blijft Hendrika in haar ouderlijk huis wonen. In 1908 verhuist ze met haar ouders naar de Nicolaas Maesstraat in Amsterdam-Zuid. Haar vader is dan al niet meer gezond. Een jaar later overlijdt hij en verhuizen Hendrika en haar moeder nog een keer binnen dezelfde straat. Moeder Reina overleeft haar echtgenoot met 24 jaar, zij wordt bijna 93. Hendrika blijft tot haar dood in 1933 bij haar wonen. Wel heeft ze een eigen atelier, waarschijnlijk in hetzelfde huis.

Interieur van atelier, olie op paneel (jaren ’20).

‘Hendrika van Gelder, Joodsch schilderes’ 
Deze titel geeft de journalist en dichter Joseph Gompers aan zijn artikel in het Joodse tijdschrift De Vrijdagavond
na zijn atelierbezoek in 1925. ‘Deze kunstenares is wel typisch joods’, schrijft hij. Dit vanwege de sfeer in haar atelier: in de gang hangen portretten van de grote Palestijnse rabbijnen en op een prominente plek in de werkruimte ziet Gompers een menora (zevenarmige kandelaar) en een joods gebedenboek.

De portretten op de gang kunnen een aanwijzing zijn dat het atelier zich in het orthodox gezinde ouderlijk huis bevond. Ook de aanvankelijke weerzin van Hendrika’s ouders tegen een kunstzinnige loopbaan van hun dochter verbindt Gompers met deze achtergrond.  

Hendrika zelf komt uit dit artikel naar voren als een bevlogen kunstenares, levend voor haar kunst. In haar kunstenaarschap lijkt het ‘joodszijn’ geen grote rol te spelen. De natuur aanschouwen, daar lessen uit putten en ‘natuurlijk worden’ zoals ze het zelf noemt, dat is haar richtsnoer. Het enige schilderij met een duidelijk Joodse signatuur dat we (nu nog) van haar kennen is een stilleven met symbolen van het joodse geloof dat zich in het Joods Historisch Museum bevindt (cat.9).

Twijfels van het thuisfront
Over Riekies jeugd is niet veel bekend. Mogelijk gaat zij schuil achter een van de dames ‘H. van Gelder’ uit Amsterdam, die in respectievelijk 1890 en 1893 slagen voor het akte-examen Nuttige Handwerken (Het Vaderland, 8-3-1890; Het Nieuws van den Dag, 2-3-1893), maar dat is niet zeker.

Haar belangstelling voor de kunsten komt mogelijk van de kant van haar moeder, die stamde uit de gegoede Haagse burgerklasse. In het behoudende orthodox Joodse milieu waar Hendrika in opgroeit, wordt een carrière in de beeldende kunst niet gestimuleerd. Weliswaar waren de Van Gelders generatielang edelsmeden dus niet gespeend van esthetisch bewustzijn, maar zij maakten gebruiksvoorwerpen, vooral voorwerpen voor de joods religieus gebruik, zoals rimoniem, siertorens voor Torahrollen.

De twijfels van het thuisfront over een kunstzinnige loopbaan voor hun dochter bieden een mogelijke verklaring voor het vertraagd op gang komen van Hendrika’s carrière. Niettemin krijgt ze op enig moment les van schilderes Henriëtte Asscher, die haar de grondbeginselen van het schildersvak bijbrengt.

Dagteekenschool voor meisjes
Als Hendrika eindelijk ‘de roep van haar hart’ mag volgen – ze is dan al tegen de dertig – wordt ze geplaatst op de Dagteekenschool voor meisjes, om haar ‘lagere acte tekenen’ te behalen. Daar krijgt ze schilderles van Jo Stumpff. Na het behalen van haar diploma volgt Hendrika nog een jaar boetseerles bij de beeldhouwer Marinus (Rien) Hack.

Of de lessen van Hack effectief zijn geweest, valt niet te achterhalen: tot nu toe is geen enkel plastisch werk van Hendrika bekend. Mogelijk ging het erom de praktijk van een kunstambacht onder de knie te krijgen; beoefening van kunstnijverheid was vaak een beter verdienmodel dan het vrije kunstenaarschap. Toch had Hendrika juist dát voor ogen. Nergens vermeldt zij dat zij tekenlerares is geweest of een kunstambacht heeft beoefend.

Na de boetseerlessen wordt het officiële deel van haar opleiding als afgerond beschouwd. Hendrika gaat niet, zoals veel van haar schoolgenoten, verder studeren aan een kunstopleiding, alhoewel de directeur van de Rijksacademie, schilder August Allebé, voldoende talent in haar ziet om zo’n studie te ‘riskeeren’. Waarom er dan toch geen vervolg kwam? Mogelijk was dat de invloed van het (orthodoxe) milieu waarvan Hendrika wellicht financieel afhankelijk was. De familie was zeer welgesteld, dus armoede kan het niet geweest zijn.  

In de leer bij Eduard Frankfort
Zelf wil Hendrika heel graag door! Dankzij de aanmoediging van de succesvolle schilder Eduard Frankfort, die genoeg goeds in haar werk ziet om haar te accepteren als leerling, mag zij, zoals ze zelf schrijft op een vragenformulier van kunsthandel Van Harpen, haar liefde voor de kunst ‘eerst later’ (lees: ‘dan pas’) ernstig opvatten (arch.13).

Anderhalf jaar zal ze werken onder Frankforts leiding. In 1904, na haar leerperiode, wordt Hendrika lid van de Amsterdamse Kunstenaarsvereniging St. Lucas.

In 1908, Hendrika is dan 38, doet ze voor het eerst mee met een groepstentoonstelling van deze vereniging. Een jaar later wordt ze lid van Arti et Amicitiae en in 1915 sluit ze zich aan bij De Onafhankelijken. Nu ze eindelijk haar liefde voor de kunst serieus mag en kan nemen, ontwikkelt ze zich snel en is zeer productief. Tussen 1909 en 1940 exposeert ze (vrijwel) jaarlijks met deze verenigingen.

In 1913 neemt ze deel aan De vrouw 1813-1913, een grote tentoonstelling over vrouwenarbeid, met twee werken: het schilderij ‘Aan zee’ (catalogus De vrouw nr.58 en een studie in pastel ‘Rika’ (nr.228) Of dit een zelfportret betrof – zij werd zelf Riekie genoemd, is niet bekend. De werken zijn niet afgebeeld. Ze exposeert ook in de Haagse Pulchri Studio en bij kunsthandels, zoals de Larense Kunsthandel van Nico van Harpen.

In 1934, een jaar na de dood van haar moeder, betrekt Hendrika een atelierwoning in het net gebouwde kunstenaarscomplex aan de Zomerdijkstraat in Amsterdam. Zij is dan 64 jaar! In een nog leegstaand beeldhouwatelier richten de nieuwe bewoners een tentoonstelling in. De landschappen die Van Gelder inzendt voor de openingstentoonstelling worden gunstig besproken. ‘Het Stadsgezicht op Castellar munt uit in warmte en eenvoud’, schrijft het Algemeen Handelsblad.

Gezicht op Nervi, aquarel (reproductie uit ‘De Vrijdagavond’, 1925).

In de jaren twintig en dertig maakt Hendrika van Gelder vrijwel jaarlijks kunstreizen naar Zuid-Frankrijk. Zij gaat vooral naar Menton met een bevriende familie, maar reist in ieder geval een keer ook naar Italië. In het zuiden  aquarelleert en tekent ze vooral landschappen en stadsgezichten. We kennen slechts één werk uit Italië dankzij een reproductie in De Vrijdagavond: een gezicht op de Italiaanse badplaats Nervi (cat. R5).

Van de Franse Riviera is meer werk bewaard gebleven: aquarellen, tekeningen en ook een reeks kleine paneeltjes met opzetjes en studies in olieverf, waarschijnlijk bedoeld om later uit te werken.

Chrysanten, olieverf op karton (niet gedateerd).

Liefde en ontzag voor de natuur
Hendrika werkt met olieverf en aquarel en ze tekent met pen, kleurpotlood en pastelkrijt, waarmee ze opmerkelijke resultaten behaalt. De portretkunst heeft haar voorkeur, schrijft ze op het vragenformulier van kunsthandel Van Harpen, maar zij schildert ‘met liefde’ ook landschappen, bloemen en stillevens.

De natuur is haar belangrijkste inspiratiebron. In haar bloemstillevens weet ze krachtig haar liefde en ontzag uit te drukken voor de natuur en het verhaal van groei, bloei en verval. Gompers besteedt uitgebreid aandacht aan de sfeer in haar schilderijen, haar vermogen om karakters neer te zetten en een scène te laden met stemming en zeggingskracht.

Hendrika werkt doorgaans in een traditionele figuratieve stijl, ze maakt geen deel uit van de artistieke avant-garde. Als haar werk opvalt, is het door goede kwaliteit. ‘Sfeervol, sterk, warm’ zijn woorden die nogal eens worden gebruikt wanneer haar werk in kranten en tijdschriften wordt besproken. Met uitzondering van het artikel in De Vrijdagavond zijn er geen lange stukken aan haar gewijd.

Tot een solo-expositie komt het niet, Hendrika exposeert uitsluitend in groepstentoonstellingen. En alhoewel ook haar portretten vaak worden tentoongesteld, biedt ze deze nooit te koop aan. Vermoedelijk zijn ze in opdracht geschilderd.

Gompers rekent haar tot ‘de meest beroemde Joodse schilders en grafici’, maar zelf blijft Hendrika bescheiden over haar kunnen. Bij een van haar inzendingen voor De Onafhankelijken in 1937 schrijft zij in de catalogus: ‘Over mijn eigen werk slechts dat, dat ik bij elk werk dat ik van mij af moest zetten, ontevreden ben, toch in ontroering nieuw werk begin.’

‘Decoratieve uitingen van persoonsaanvoelingen’
Het werk dat is bewaard geeft blijk van een verfijnd kleurgevoel. Hendrika werkt in realistische stijl maar met een losse, vlotte toets, zelf noemt ze haar stijl ‘impressionistisch’. En zo graag als Hendrika naar de natuur werkt, ze kan dat ook loslaten. In de eerder genoemde vragenlijst voor Van Harpen schrijft ze zich zeer aangetrokken te voelen tot ‘decoratieve uitingen in kleur en lijn van persoonsaanvoelingen’.

Deze werken, door Gompers omschreven als ‘expressionistische schilderstukjes vol kleurrijke verrassingen’ waren hoogstwaarschijnlijk abstracte verbeeldingen van ‘het onbewuste’ oftewel ‘trancekunst’ geïnspireerd door de esoterie die toen, vooral in kunstenaarskringen, in zwang was.

Hendrika van Gelder exposeerde dit soort werk niet binnen het reguliere kunstcircuit, maar bij alternatieve instellingen, zoals de Vereeniging voor Psychisch Onderzoek en Toegepast Magnetisme, en waarschijnlijk ook in de winkel van naaldkunstenaar Margaretha Verwey, die het gedachtegoed propageerde van de schilder-ziener Karel Schmidt. Zijn spirituele schilderijen werden veelvuldig bij Verwey geëxposeerd. Van Hendrika’s trancekunst is tot nu toe niets teruggevonden.

Portretten van de familie en meer
In het begin van haar carrière komt Hendrika graag op bezoek bij de cultureel ingestelde familie van haar moeder en maakt portretten van hen. In 1913 maakt ze van haar achternicht Jo Simons-Van Hamersveld een groot portret in pastel, en twee kleinere portretten van Jo’s dochtertje Eka (cat. 1, 2 en 3). Er zijn twee geestige tekeningen van haar grootvader, Louis Simons, en van een halfzuster van haar moeder, Clarence Hartogensis (cat. 6 en 7).

Hendrika wil ook graag een portret schilderen van haar achterneef, de hoogleraar David Simons, maar hij houdt dat steevast af met de woorden: ‘Dat mag je doen als je het lelijke mooi kunt maken’. Wel koopt hij een stilleven van haar, dat hij ‘een echte Van Gelder’ noemt.

Van haar zwager, de industrieel Philip van Son, maakt Hendrika wel een portret in olieverf. We kennen het omdat het in De Vrijdagavond is afgedrukt; het origineel is nooit teruggevonden (cat.R 2).

In de jaren dertig geeft Hendrika schilderles aan haar achterneef Frans Simons. In deze periode schildert hij een portret van de danseres Chaia Weinberg die ook in de Zomerdijkstraat woont.

Een portret in olieverf van haar moeder (cat. 4) is bewaard gebleven: een van Hendrika’s geëmigreerde broers neemt het na een bezoek aan Nederland mee terug naar Amerika. Een kopie hiervan in potlood uit 1927 is in Amsterdam gebleven. (cat.21)

Voor het Album Amicorum voor de schilder Coenraad Mathias Garms tekent zij met pastel een meisjesportret (cat.5). Dit album bevindt zich in het Teylersmuseum. Het kaartspelende gezelschap in de olieverfschets Aan den vijfhoek moet een groepsportret zijn. Wie er zijn afgebeeld, is niet bekend (cat.R 4). 

De publicatie van deze biografie kreeg een jaar later een onverwacht gevolg, zodat ik nog 24 werken aan de catalogus kon toevoegen waaronder portretten van haar jongere zuster en broer en hun nakomelingen.  

Een ‘alleszins intellectuele vrouw’
Het zelfportret in pastel uit begin jaren twintig toont een zelfbewuste vrouw met een scherpe humoristische blik. Hiervan rest slechts een reproductie in zwart-wit (cat.R 1). Volgens Gompers is het fraai van stofuitdrukking en met een fris en sprekend coloriet. Aan het eind van zijn artikel noemt hij Hendrika van Gelder een ‘alleszins intellectuele vrouw’. Zij schaakte graag en stuurde oplossingen naar de schaakrubriek van het Handelsblad. Een olieverfportretje uit 1929 van een vrouw met eenzelfde intelligente blik en markante trekken als op de reproductie is bijna zeker een zelfportret.(cat.24) Het is echter niet als zodanig gedocumenteerd.  

Uit de weinige bewaard gebleven correspondentie blijkt dat Hendrika warme vriendschappen onderhield, ook met collega’s zoals de schilder Martin Monnickendam (arch. 5, 6, 8 en 12) Zij maakte een tekening voor het vriendenboek van haar collega-kunstenares, Dinah Kohnstamm. Met de gezinnen van haar jongere zuster Estella en broer David en hun nakomelingen had zij een heel goede band. De liefde was wederzijds: een van haar achternichtjes heeft goede herinneringen aan haar lievelingstante en schreef die zelfs op. 

Symbolen van het Joodsche Geloof (cat.9)

Uitgesloten van het kunstbedrijf
In 1941 vermeldt Hendrika van Gelder op een vragenformulier van kunsthandel Mak van Waay dat zij sinds dat jaar ‘als Jodin’ geen lid meer is van de kunstenaarsverenigingen waar zij ooit bij hoorde (arch.14). In 1942 organiseert de Van Leerstichting een verkooptentoonstelling tot steun van de Joodse kunstenaars die omwille van hun afkomst zijn uitgesloten van het kunstbedrijf.

Hendrika van Gelder doet aan deze expositie mee met een stilleven Symbolen van het Joodsche Geloof. De Van Leerstichting koopt dit werkt aan voor De Nederlands Israëlitische Hoofdsynagoge (Heinzestraat-Jacob Obrechtplein).

Mogelijk maakt Hendrika nog een tweede schilderij naar dit model in opdracht van Isaac Busnach, de pachter van het Joods café in de Hollandsche Schouwburg. In ieder geval bleef een versie van dit stilleven bij de familie Busnach tot 2003 en is thans in bezit van het Joods Historisch Museum. (cat.R 9

Reconstructie van werk en leven
In 1943 wordt Hendrika van Gelder vanuit de Zomerdijkstraat gedeporteerd naar Sobibor waar zij op 7 mei, haar 73ste verjaardag, wordt vermoord. Al haar in het atelier aanwezige werk zal verdwijnen: waarschijnlijk in beslag genomen (gepulst) en geroofd, mogelijk vernietigd.

Leven en werk van Hendrika van Gelder lijken na de oorlog dan ook vrijwel uitgewist. Voor de herdenkingstentoonstelling van vermoorde Joodse kunstenaars in 1995 kan men geen enkel werk van haar vinden, zo staat te lezen in het herdenkingsboek Rebel, mijn hart. Kunstenaars 1940-1945, dat verschijnt in het vijftigste bevrijdingsjaar.

Dankzij digitalisering en nieuwe zoekmethodes, en contacten met nakomelingen van de familie Van Gelder heb de catalogus kunnen uitbreiden naar 43 werken. Daar zijn ook studies bij, probeersels en schetsen; niet alles was bedoeld om in de openbaarheid te brengen. Maar ook deze werken zijn van belang bij deze reconstructie van het leven en oeuvre van Hendrika van Gelder.
Voorjaar 2022 werd mij een tekening van Hendrika van Gelder toegestuurd door de huidige eigenaresse van het Liber Amicorum van Dinah Kohnstamm; nr. 44 van de catalogus.   

Een volledig overzicht van haar werk staat in de catalogus en de catalogus raisonné. Wat ik heb kunnen vinden aan foto’s en documenten heb samengebracht in het archief.

Dank!
Ik dank allen die hebben meegedacht, gecorrespondeerd, foto’s gestuurd, geadviseerd en familiealbums geraadpleegd, die mij thuis hebben ontvangen om me in paperassen te laten rommelen, of mij hebben geholpen onbekend werk op te sporen. Zelfs heeft iemand een echte Hendrika van Gelder voor mij op de kop getikt!

Werk
Werk van Hendrika van Gelder bevindt zich in het Joods  Museum in Amsterdam, in Teylers Museum in Haarlem en in privécollecties.

Gebruikte bronnen
Online bronnen
Pagina ‘Hendrika van Gelder’ op Joods Monument
In
formatie over Hendrika van Gelder op Art Index
Pagina’s op Joods Amsterdam:
1. Hendrika van Gelder
2. Emanuel van Gelder en Hendrika de Graaff
3.
Abraham Michael Emauel van Gelder en Reintje van Gelder-Simons
4.
Oudezijds Achterburgwal

Naslagwerken
Jacobs, P.M.J.E., Beeldend Benelux, Biografisch Handboek, deel II, Tilburg 2000
Mak van Waay, S.J., Lexicon van Nederlandse Schilders en Beeldhouwers, 1870-1940, Amsterdam 1944
Saur, K.G., Allgemeines Künstler Lexicon, die bildende Künstler aller Zeiten und Völker, Deel 51, München- Leipzig 2006, p. 179
Scheen, P. Lexicon van Nederlandse beeldende kunstenaars, 1750-1950, Den Haag, 1981
Vollmer, H., Allgemeines Lexicon der bildende Künstler, deel 2, Leipzig 1955, p. 221

Archieven
Amsterdam, Stadsarchief: Bevolkingsregister, Gezinskaarten A.M.E. van Gelder, H. van Gelder, Archiefkaart Hendrika van Gelder
Amsterdam, NIOD, toegangnr. 181a, inv.nr. 1: Notulen van enkele bestuursvergaderingen van de Van Leer-Stichting (…) 1942-1943, p. 7 (verslag m.b.t. Steunactie Beeldende Kunstenaars)
Archief Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam
Maatschappij voor kunst- en antiekveilingen N.V., Vragenlijst voor kunstenaars, Amsterdam, Mak van Waay, augustus 1940, ingevuld door Hendrika van Gelder in 1941
RKD, Den Haag, PDO: door Hendrika van Gelder ingevulde vragenlijst van kunsthandelaar Nico van Harpen, Laren (NH) 1924.

Catalogi
Catalogi groepsexposities kunstenaarsverenigingen Sint Lucas, Arti et Amicitiae en De Onafhankelijken, tussen 1909 en 1940
De Vrouw 1813-1913. Afdeeling Beeldende Kunsten. Tentoonstellingscatalogus Meerhuizen, Amsteldijk (Amsterdam 1913), nr. 58 en nr. 228.
Catalogus van de nationale tentoonstelling van kunstwerken, onder bescherming van H.M. de Koningin, met daaraan verbonden verloting ten bate van het Koninklijk Nationaal Steun-comité 1914 ([Leiden 1915]), nr. 476
‘Tentoonstelling Atelierwoningen’, Algemeen Handelsblad, 2-12-1934
De onafhankelijken. Tentoonstellingscatalogus Stedelijk Museum (Amsterdam 25-9 t/m 17-10 1937) p. 67

Literatuur (selectie)
Jan van Adrichem, e.a., Rebel mijn hart. Kunstenaars 1940-1945 (Zwolle 1995) p. 191
Hetty Berg, David Duindam en Frank van Vree, Site of Deportation, Site of Memory. The Amsterdam Hollandsche Schouwburg and the Holocaust (Amsterdam 2018) p. 102
Joseph Gompers, ‘Hendrika van Gelder, Joodsch schilderes’, De Vrijdagavond. Joodsch weekblad 2 (1925), nr. 34, p. 122-125
J.G. [Joseph Gompers], ‘Jozef Israëls en Dr. J. Mendes da Costa – De twee voornaamste Joodsche beeldende kunstenaars der laatste vijf en zeventig jaar’, Nieuw Israëlietisch Weekblad, 24-05-1940, p. 2
Engelman, J., ‘Schilders en beeldhouwers van dezen tijd exposeren in het Rijksmuseum – Een droeve lijst in de Nachtwachtzaal’, De Tijd, 10-10-1945
‘In Memoriam – tentoonstelling van werken van gedurende de jl. wereld oorlog omgekomen kunstenaarsleden der Maatschappij van Arti & Amicitiae, in Amsterdam 11 januari-11 februari 1947’, Die Constghesellen; Maandblad voor de Nederlandse Beeldende Kunst 1947, tweede jrg., nr.1, p. 25
Lien Heyting, De wereld in een dorp – Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum (Amsterdam 1994) p. 164-170
K. Kleijn, B. Gielen, ‘Een liefste wensch vervuld, De dagteekenschool voor Meisjes in de Gabriël Metsustraat’, in Ons Amsterdam, januari/februari 2019
M. Knotter, L. Meiboom, Rammelaars en rinkelbellen, de collectie van Heinz Keijzer, Walburg Pers 2021
Francoise Ledeboer, ‘Slachtoffers van Nazi’s spreken’, Provinciale Zeeuwse Courant, 7-4-1995
Hanna Klarenbeek, Penseelprinsessen & broodschilderessen. Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913 (Bussum 2012), p. 84
E.C. Simons, Familiegeschiedenis (Wassenaar 1983) (ongepubliceeerd). De nakomelingen van David Levy Simons en Engeltje de Sterke (Scheveningen 1994) (ongep.)
Claartje Wesseling, Kunstenaars van de Kultuurkamer. Geschiedenis en herinnering, Amsterdam 2014, disseratie Universiteit van Amsterdam, p. 100, 241, 356, 382
‘Werk van Joodsche schilders, de Van Leer Stichting doet aankopen’, Het Joodsch Weekblad, 1-4-1942, p.5