Hendrika van Gelder

Biografie

Hendrika van Gelder

Dit zelfportret in pastel kennen we alleen dankzij een foto in het tijdschrift De Vrijdagavond uit 1925, waarin de journalist Joseph Gompers een artikel aan deze kunstenares wijdt. Het portret bevond zich in het atelier tijdens zijn bezoek. Hij noemt haar een begaafd portrettist en roemt de stofuitdrukking en het frisse, sprekende coloriet. Het origineel is onbekend, maar uit ander wel bewaard gebleven werk kunnen we zien dat zij inderdaad een begaafd portrettist en colorist was. Neem het indrukwekkende portret dat zij in 1914 maakte van mijn nog jonge, knappe grootmoeder – met een strenge, zwarte hoed tegen een blauwgroene achtergrond – en de twee lieftallige kinderportretten van mijn toen driejarige tante (cat.1,2,3) Mijn grootvader moet er blij mee zijn geweest, de portretten kregen een ereplaats in het huis in de PC Hooftstraat boven zijn kantoorboekhandel. Daar zijn ze bijna honderd jaar blijven hangen, tot de jongste dochter, mijn tante Phemia, naar een verzorgingshuis ging.

       

De portretten maakten zo vanzelfsprekend deel uit van mijn leven dat ik er nooit echt goed naar had gekeken. Pas toen ze na de dood van mijn tante in mijn bezit kwamen, werd ik nieuwsgierig naar hun maakster. Wie was deze kunstenares die mijn grootmoeders schoonheid maar ook haar terughoudendheid zo treffend had weten vast te leggen? Wie was Hendrika van Gelder?

Zij bleek een achternicht van mijn grootvader te zijn. De familieband maakte mijn onderzoek iets makkelijker. Maar niet veel: Hendrika van Gelder was Joods. Zij werd gedeporteerd en zoals bij veel lotgenoten leken haar leven en werk praktisch uitgewist na 1945. Maar de tijd staat niet stil, digitalisering maakt uitgebreide research gemakkelijker en ik heb veel hulp gekregen. Hendrika’s biografie staat inmiddels op het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland.http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/VanGelder
Op deze plek nu een uitgebreider levensverhaal en een catalogus van teruggevonden werken en documenten. Aanvullingen zijn welkom!

Levensverhaal
Hendrika van Gelder, roepnaam Riekie, wordt geboren op 7 mei 1870, als zesde kind in een Joods gezin met twaalf kinderen. Haar ouders zijn Reintje Simons en Abraham (Bram) van Gelder, handelaar in goud en zilver. Tot 1908 woont de familie van Gelder op de Oudezijds Voorburgwal in het centrum van Amsterdam. Drie oudere broers emigreren nog voor 1900 naar Amerika; de andere broers en zusters trouwen allen.

Het gezin van Gelder in 1873 – het negende kind Estella is net geboren. Riekie zit linksvoor op de grond

Als enige ongetrouwde dochter blijft Hendrika in haar ouderlijk huis wonen. In 1908 verhuist ze met haar ouders naar de Nicolaas Maesstraat in Amsterdam-Zuid. Na de dood van haar vader, een jaar later, verhuizen Hendrika en haar moeder nog een keer binnen dezelfde straat. Moeder Reina overleeft haar echtgenoot met 24 jaar, zij wordt bijna 93. Hendrika blijft tot haar dood in 1933 bij haar wonen. Wel heeft ze een eigen atelier, mogelijk in hetzelfde huis.

‘Natuurlijk worden’
De journalist en dichter Joseph Gompers gaat daar in 1925 op bezoek voor een artikel in het Joodse tijdschrift De Vrijdagavond. ‘Deze kunstenares is wel typisch joods’ schrijft hij. Dit vanwege de sfeer in haar atelier: in de gang hangen portretten van de Palestijnse Rabbijnen; op een prominente plek in de werkruimte ziet Gompers een menora (zevenarmige kandelaar) en een joods gebedenboek. Ook de aanvankelijke weerzin van Hendrika’s ouders tegen een kunstzinnige loopbaan van hun dochter verbindt hij met haar ‘joodszijn’.
Hendrika zelf komt uit dit artikel naar voren als een bevlogen kunstenares, levend voor haar kunst. In haar kunstenaarschap lijkt het ‘joodszijn’ geen grote rol te spelen. De natuur aanschouwen, daar lessen uit putten en ‘natuurlijk worden’ zoals ze het zelf noemt, dat is haar richtsnoer. Het enige schilderij met een duidelijk Joodse signatuur dat we (nu nog) van haar kennen, is een stilleven met symbolen van het joodse geloof dat zich in het Joods Historisch Museum bevindt. (cat.9) Maar ze maakte ook een soortgelijk stilleven met oriëntaalse voorwerpen.(cat.8)

‘Liefde voor de kunst’
Over Riekies jeugd is niet veel bekend. Mogelijk gaat zij schuil achter een van de dames ‘H. van Gelder’ uit Amsterdam, die in respectievelijk 1890 en 1893 slagen voor het akte-examen Nuttige Handwerken (Het Vaderland, 8-3-1890; Het Nieuws van den Dag, 2-3-1893).
Haar belangstelling voor de kunsten komt mogelijk van de kant van haar moeder, die stamde uit de gegoede Haagse burgerklasse. In het behoudende Joodse (zaken)milieu waarin Hendrika opgroeit, wordt een carrière in de kunst met wantrouwen bekeken en beslist niet gestimuleerd. De twijfels van het thuisfront over een kunstzinnige loopbaan voor hun dochter bieden een mogelijke verklaring voor het vertraagd op gang komen van Hendrika’s carrière. Niettemin krijgt ze op enig moment les van schilderes Henriëtte Asscher, die haar de grondbeginselen van het schildersvak bijbrengt
Als Hendrika eindelijk ‘de roep van haar hart’ mag volgen – ze is dan tegen de dertig – wordt ze geplaatst op de ‘Dagteekenschool voor meisjes’ om haar ‘lagere acte tekenen’ te behalen. Daar krijgt ze schilderles van Jo Stumpff. Na het behalen van haar diploma volgt Hendrika nog een jaar boetseerles bij de beeldhouwer Marinus (Rien) Hack.
Of de lessen van Hack effectief zijn geweest, valt niet te achterhalen: er is tot nu toe geen enkel plastisch werk van Hendrika bekend. Mogelijk ging het erom de praktijk van een kunstambacht onder de knie te krijgen. Beoefening van kunstnijverheid was vaak een beter verdienmodel dan het vrije kunstenaarschap. Toch had Hendrika juist dát voor ogen; nergens vermeldt zij dat zij tekenlerares is geweest of een kunstambacht heeft beoefend.
Na de boetseerlessen wordt het officiële deel van haar opleiding als afgerond beschouwd. Zij gaat niet, zoals veel van haar schoolgenoten, verder studeren aan een kunstopleiding, alhoewel de directeur van de Rijksacademie, schilder August Allebé, voldoende talent in haar ziet om zo’n studie te ‘riskeeren’.

Zelf wil Hendrika ook graag door. Dankzij de aanmoediging van de succesvolle schilder Eduard Frankfort, die genoeg goeds in haar werk ziet om haar te accepteren als leerling, mag zij, zoals ze zelf schrijft op een vragenformulier van kunsthandel Van Harpen, haar liefde voor de kunst ‘eerst later’ – lees ‘dan pas’- ernstig opvatten (Arch.13). Anderhalf jaar zal ze werken onder zijn leiding. In 1904, na haar leerperiode bij Eduard Frankfort, wordt ze lid van het Amsterdams kunstenaarsgenootschap Sint Lucas.

In 1908, Hendrika is dan 38, doet ze voor het eerst mee met een groepstentoonstelling van deze vereniging. Een jaar later wordt ze lid van Arti et Amicitiae en in 1915 sluit ze zich aan bij De Onafhankelijken. Nu ze eindelijk haar liefde voor de kunst serieus mag en kan nemen, ontwikkelt ze zich snel en is zeer productief. Tussen 1909 en 1940 exposeert ze (vrijwel) jaarlijks met deze verenigingen.

In 1913 neemt ze deel in een grote tentoonstelling over vrouwenarbeid, ‘De vrouw 1813-1913’, met twee werken: het schilderij ‘Aan zee’ (nr.58) en een studie in pastel ‘Rika’ (nr.228) Of dit een zelfportret betrof – zij werd zelf Riekie genoemd, is niet bekend. Ze exposeert ook in de Haagse Pulchri Studio en bij kunsthandels, zoals de Larense Kunsthandel van Nico van Harpen.

In 1934, een jaar na de dood van haar moeder, betrekt Hendrika een atelierwoning in het net gebouwde kunstenaarscomplex aan de Zomerdijkstraat in Amsterdam. In een nog leegstaand beeldhouwatelier richten de nieuwe bewoners een tentoonstelling in. De landschappen die Van Gelder inzendt voor de openingstentoonstelling worden gunstig besproken. ‘Het Stadsgezicht op Castellar munt uit in warmte en eenvoud’ (Algemeen Handelsblad 1934).

In de jaren twintig en dertig maakt Hendrika van Gelder enkele kunstreizen naar Zuid-Frankrijk en Italië, waarbij zij zich toelegt op het aquarelleren en tekenen van landschappen en stadsgezichten. Haar buitenlandse werk kennen we alleen in reproductie: een gezicht op de Italiaanse badplaats Nervi (cat. R5), door Gompers zeer geprezen, en een aquarel van de kust bij Menton (cat.nr.6). In de kritieken wordt wel melding gemaakt van ander werk uit Frankrijk, o.a. het al genoemde Gezicht op Castellar en (kleur)potloodtekeningen van Menton. Er zijn twee landschappen in olieverf bewaard gebleven: een Nederlands bosgezicht (cat. 12) en een zuidelijk landschap in felle kleuren (cat.18). Dit schilderij dat zich in Amerika bevindt, is geen typisch werk van Hendrika van Gelder.*

Schilderen met liefde
Hendrika werkt met olieverf en aquarel en ze tekent met pen, kleurpotlood en pastelkrijt, waarmee ze opmerkelijke resultaten behaalt. De portretkunst heeft haar voorkeur, maar zij schildert ‘met liefde’ ook landschappen, bloemen en stillevens. (Van Harpen).
De natuur is haar voornaamste inspiratiebron. In haar bloemstillevens weet ze haar liefde en ontzag voor de natuur en het verhaal van groei, bloei en verval krachtig uit te drukken. Gompers besteedt uitgebreid aandacht aan de sfeer in haar schilderijen, haar vermogen om karakters neer te zetten en een scène te laden met stemming en zeggingskracht.
Hendrika van Gelder werkt doorgaans in een traditionele figuratieve stijl. Sfeervol, sterk en warm zijn woorden die nogal eens worden gebruikt wanneer haar werk in kranten en tijdschriften wordt besproken. Met uitzondering van het artikel in De Vrijdagavond zijn er geen lange stukken aan haar gewijd, maar de kritieken die ze krijgt, zijn doorgaans positief. Ze is zeker een begaafd portrettist. Hoewel haar portretten vaak te zien zijn in exposities, biedt ze deze niet te koop aan – vermoedelijk zijn ze in opdracht geschilderd. Als haar werk opvalt, is het door de goede kwaliteit. Zij wordt tezamen met een aantal collega’s gerekend tot ‘de meest beroemde Joodse schilders en grafici’.
Zelf blijft zij bescheiden over haar kunnen. Bij een van haar inzendingen voor de Onafhankelijken in 1937 schrijft zij in de catalogus: ‘Over mijn eigen werk slechts dat, dat ik bij elk werk dat ik van mij af moest zetten, ontevreden ben, toch in ontroering nieuw werk begin.’

Persoonsaanvoelingen
Het werk dat is bewaard, geeft blijk van een verfijnd kleurgevoel. Hendrika werkt in realistische stijl maar met een losse, vlotte toets, zelf noemt ze haar stijl ‘impressionistisch’. En zo graag als Hendrika naar de natuur werkt, ze kan dat ook loslaten. In voornoemde vragenlijst voor Van Harpen schrijft ze zich zeer aangetrokken te voelen tot ‘decoratieve uitingen in kleur en lijn van persoonsaanvoelingen’. Dit werk wordt vermoedelijk geïnspireerd door de toen in sommige kringen in zwang zijnde esoterie. Gompers kan deze paneeltjes wel waarderen. Hij noemt ze ‘expressionistische schilderstukjes vol kleurrijke verrassingen’. Dit werk exposeert Van Gelder niet binnen het reguliere kunstcircuit, maar bij meer alternatieve instellingen voor ‘spirituele’ kunst, zoals die van Karel Schmidt en Margaretha Verwey en het Instituut voor Psychisch Onderzoek en Magnetisme in de Helmersstraat. Van deze ‘trancekunst’ is tot nu toe niets teruggevonden.

Portretten
Hendrika komt graag op bezoek bij de cultureel ingestelde familie van haar moeder en maakt portretten van hen. In 1913 maakt ze van haar achternicht Jo Simons-Van Hamersveld een groot portret in pastel en twee kleinere portretten van Jo’s dochtertje Eka (cat.1,2,3). Er zijn twee geestige tekeningen van haar grootvader, Louis Simons, en van een halfzuster van haar moeder, Clarence Hartogensis (cat.6,7).
Hendrika wil ook graag een portret schilderen van haar achterneef, de hoogleraar David Simons, maar die houdt dat steevast af met de woorden: ‘Dat mag je doen als je het lelijke mooi kunt maken.’ Wel koopt hij een stilleven van haar, dat hij ‘een echte Van Gelder’ noemt.
Van haar zwager, de industrieel Philip van Son, maakt Hendrika wel een portret in olieverf. We kennen het omdat het in De Vrijdagavond is afgedrukt; het origineel is nooit teruggevonden (cat.R 2).
Mogelijk maakt Hendrika nog veel meer portretten van haar zeer uitgebreide familie. Bekend is dat zij begin 1940 een groepsportret van haar nichtjes schildert dat in de oorlog verloren zal gaan. Een portret van haar moeder blijft wel bewaard (cat.4). Een van Hendrika’s geëmigreerde broers neemt het na een bezoek aan Nederland mee terug naar Amerika. Mogelijk is dit het portret dat zij al in 1917 exposeerde bij De Onafhankelijken. Voor het Album Amicorum voor de schilder Coenraad Mathias Garms tekent zij met pastel een meisjesportret (cat.5). Dit album bevindt zich in het Teylersmuseum. Het kaartspelende gezelschap in de olieverfschets ‘Aan den vijfhoek’ moet een groepsportret zijn. Wie er zijn afgebeeld, is niet bekend (cat.R 4).

Lievelingstante
Een zelfportret in pastel uit begin jaren twintig toont een zelfbewuste vrouw met een scherpe humoristische blik. Hiervan rest slechts een reproductie in zwart-wit (cat.R 1). Volgens Gompers is het fraai van stofuitdrukking en met een fris en sprekend coloriet. Aan het eind van zijn artikel noemt hij haar een ‘alleszins intellectuele vrouw’.

Uit de weinige bewaard gebleven correspondentie blijkt dat Hendrika warme vriendschappen onderhield – ook met collega’s zoals de schilder Martin Monnickendam (Arch.5,6,8,12) Op de website Joods Monument meldt een nichtje goede herinneringen te hebben aan haar ‘lievelingstante’.

Oorlog en bezetting

Symbolen van het Joodsche Geloof (cat.9)

In 1941 vermeldt Hendrika van Gelder op een vragenformulier van kunsthandel Mak van Waay dat zij sinds dat jaar ‘als Jodin’ geen lid meer is van de kunstenaarsverenigingen waar zij ooit bij hoorde (arch.14). In 1942 organiseert de Van Leerstichting een verkooptentoonstelling tot steun van de Joodse kunstenaars die omwille van hun afkomst zijn uitgesloten van het kunstbedrijf. Hendrika van Gelder doet hieraan mee met een stilleven ‘Symbolen van het Joodsche Geloof’(cat.9). Dit wordt door de Van Leerstichting aangekocht voor De Nederlands Israëlitische Hoofdsynagoge (Heinzestraat-Jacob Obrechtplein). Mogelijk maakt Hendrika nog een tweede schilderij naar dit model, in opdracht van Isaac Busnach, de pachter van het Joods café in de Hollandsche Schouwburg. In ieder geval bleef er een versie van dit stilleven bij de familie Busnach tot 2003 en is thans in bezit van het Joods Historisch Museum.

In 1943 wordt Hendrika van Gelder vanuit de Zomerdijkstraat gedeporteerd naar Sobibor waar zij op zeven mei, haar 73ste verjaardag, wordt vermoord. Al haar in het atelier aanwezige werk zal verdwijnen: waarschijnlijk in beslag genomen (gepulst) en geroofd, mogelijk vernietigd.
Leven en werk van Hendrika van Gelder lijken na de oorlog vrijwel uitgewist. Voor de herdenkingstentoonstelling van vermoorde Joodse kunstenaars in 1995 kan men geen enkel werk vinden. (Rebel mijn hart, 191) Maar voor haar deportatie in 1943 had Hendrika van Gelder een kunstenaarscarrière van ruim veertig jaar. Er moet dus meer werk van haar bewaard zijn gebleven. Dankzij digitalisering en nieuwe zoekmethodes zijn er inmiddels achttien (waarvan dertien zeker, vijf twijfelachtig) oorspronkelijke werken van Hendrika van Gelder bekend en zes in reproductie. Een broer die naar Amerika was geëmigreerd, nam na een bezoek aan Nederland, zeven schilderijen mee terug waaronder een portret van zijn moeder (cat.4). Die werken ‘overleefden’ de oorlog in Amerika.
*zie commentaar in de catalogue raisonné bij nummers 14,15,16,17,18

https://reneesimons.nl/hendrika-van-gelder-catalogue-raisonne/

Voor verwijzingen in de tekst (cat. met nummer) zie: https://reneesimons.nl/hendrika-van-gelder-catalogus/

Voor (arch.met nummer) zie: https://reneesimons.nl/hendrika-van-gelder-archief/

Met dank aan allen die hebben meegedacht, gecorrespondeerd, foto’s gestuurd, geadviseerd, familiealbums geraadpleegd, mij thuis hebben ontvangen om in paperassen te rommelen; mij hebben geholpen onbekend werk op te sporen; zelfs een echte Hendrika van Gelder voor mij op de kop hebben getikt.

Werk
Werk van Hendrika van Gelder bevindt zich in het Joods Historisch Museum in Amsterdam, in Teylers Museum in Haarlem en in privécollecties
Catalogus: https://reneesimons.nl/hendrika-van-gelder-catalogus/

Websites
http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/VanGelder
‘Hendrika van Gelder’, www.joodsmonument.nl
‘Hendrika van Gelder’, Joods Amsterdam (https://www.joodsamsterdam.nl/hendrika-van-gelder/; geraadpleegd 16-1-2021).
‘Hendrika van Gelder’, Art Index (www.artindex.nl/lexicon/default.asp?id=6&num=0859900087022010001231677001830920506511; geraadpleegd 16-1-2021) .
https://rkd.nl/nl/explore/images#filters[kunstenaar]=Gelder%2C+Hendrika+van

Naslagwerken
Jacobs, P.M.J.E., Beeldend Benelux, Biografisch Handboek, deel II, Tilburg 2000
Mak van Waay, S.J., Lexicon van Nederlandse Schilders en Beeldhouwers, 1870-1940, Amsterdam 1944
Saur, K.G., Allgemeines Künstler Lexicon, die bildende Künstler aller Zeiten und Völker, Deel 51, München- Leipzig 2006, p.179
Scheen, P. Lexicon van Nederlandse beeldende kunstenaars, 1750-1950, Den Haag, 1981
Vollmer, H., Allgemeines Lexicon der bildende Künstler, deel 2, Leipzig 1955, p.221

Archieven
Amsterdam, Stadsarchief: Bevolkingsregister, Gezinskaarten A.M.E. van Gelder, H. van Gelder; Archiefkaart Hendrika van Gelder.
Amsterdam, NIOD, toegangnr. 181a, inv.nr. 1: Notulen van enkele bestuursvergaderingen van de Van Leer-Stichting (…) 1942-1943, p. 7 (verslag m.b.t. Steunactie Beeldende Kunstenaars).
Archief Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam.
Maatschappij voor kunst- en antiekveilingen N.V., Vragenlijst voor kunstenaars, Amsterdam, Mak van Waay, augustus 1940, ingevuld door Hendrika van Gelder in 1941
RKD, Den Haag, PDO: door Hendrika van Gelder ingevulde vragenlijst van kunsthandelaar Nico van Harpen, Laren (NH) 1924.

Catalogi
Catalogi groepsexposities kunstenaars verenigingen St. Lucas, Arti et Amicitiae en De Onafhankelijken tussen 1909 en 1940.
De Vrouw 1813-1913. Afdeeling Beeldende Kunsten. Tentoonstellingscatalogus Meerhuizen, Amsteldijk (Amsterdam 1913), nr. 58 en nr. 228.
Catalogus van de nationale tentoonstelling van kunstwerken, onder bescherming van H.M. de Koningin, met daaraan verbonden verloting ten bate van het Koninklijk Nationaal Steun-comité 1914 ([Leiden 1915]), nr. 476
‘Tentoonstelling Atelierwoningen’, Algemeen Handelsblad, 2-12-1934.
De onafhankelijken. Tentoonstellingscatalogus Stedelijk Museum (Amsterdam 25-9 – 17-10, 1937) 67.

Literatuur (selectie)
Jan van Adrichem, e.a., Rebel mijn hart. Kunstenaars 1940-1945 (Zwolle 1995) 191.
Hetty Berg, David Duindam en Frank van Vree, Site of Deportation, Site of Memory. The Amsterdam Hollandsche Schouwburg and the Holocaust (Amsterdam 2018) 102.
Joseph Gompers, ‘Hendrika van Gelder, Joodsch schilderes’, De Vrijdagavond. Joodsch weekblad 2 (1925), nr. 34, 122-125.
J.G. [Joseph Gompers], ‘Jozef Israëls en Dr. J. Mendes da Costa – De twee voornaamste Joodsche beeldende kunstenaars der laatste vijf en zeventig jaar’, Nieuw Israëlietisch weekblad, 24-05-1940, 2.
Engelman, J., ‘Schilders en beeldhouwers van dezen tijd exposeren in het Rijksmuseum – Een droeve lijst in de Nachtwachtzaal’, De Tijd, 10-10-1945.
‘In Memoriam – tentoonstelling van werken van gedurende de jl. wereld oorlog omgekomen kunstenaarsleden der Maatschappij van Arti & Amicitiae, in Amsterdam 11 januari-11 februari 1947’, Die Constghesellen. Maandblad voor de Nederlandse Beeldende Kunst 1947, tweede jrg., nr.1, p.25
Lien Heyting, De wereld in een dorp – Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum (Amsterdam 1994) 164-170.
Francoise Ledeboer, ‘Slachtoffers van Nazi’s spreken’, Provinciale Zeeuwse Courant, 7-4-1995.
Hanna Klarenbeek, Penseelprinsessen & broodschilderessen. Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913 (Bussum 2012), p.84
E.C. Simons, Familiegeschiedenis (Wassenaar 1983) (ongep.). De nakomelingen van David Levy Simons en Engeltje de Sterke (Scheveningen 1994) (ongep.).
Claartje Wesseling, Kunstenaars van de Kultuurkamer. Geschiedenis en herinnering Amsterdam 2014) (disseratie Universiteit van Amsterdam) 100, 241, 356, 382.
‘Werk van Joodsche schilders, de Van Leer Stichting doet aankopen’, Het Joodsch Weekblad, 1-4-1942, 5.