Hendrika van Gelder

Een onverwacht vervolg

Interieur atelier, olie op paneel, jaren ’20.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toen ik in 2019 begon met mijn studie naar Hendrika van Gelder, was er weinig over haar bekend, alleen wat gegevens in naslagwerken en één artikel uit 1925. Op de twee grote tentoonstellingen die sinds WO II zijn gemaakt over vermoorde joodse kunstenaars was zij niet vertegenwoordigd. Men kon geen werk vinden om tentoon te stellen.1)

Dat werk was er wel. In onze familie zijn drie portretten van haar hand bewaard gebleven, gekoesterde portretten, die altijd in het ouderlijk huis van mijn tante zijn blijven hangen.

Dankzij de digitale zoekmethodes en veel hulp van anderen kon ik mijn onderzoek begin 2021 afronden met een biografische schets en een oeuvrecatalogus van vierentwintig werken, waarvan achttien oorspronkelijke stukken en zes reproducties. Dat leek heel wat in verhouding tot de drie portretten waarmee ik begon, maar gemeten naar een kunstenaarsloopbaan van veertig jaar is het natuurlijk niet veel.

 

De drie achternichtjes, Rolien, Mary en Yoke, vlak na de oorlog.

De achterkleinzoon van David

Niet lang nadat ik mijn bevindingen op internet had gepubliceerd, werd ik benaderd door een achterkleinzoon van Hendrika’s jongste broer David. Zijn moeder was een van de achternichtjes die in het begin van de oorlog voor ‘tante Riek’ hadden geposeerd. Deze kinderportretten zijn in de oorlog verloren gegaan, maar bij de kleinkinderen en achterkleinkinderen van David is wel ander werk van hun schilderende oudtante bewaard gebleven.

Het oudste achternichtje van Hendrika, de in 1935 geboren Rolien van Gelder, heeft haar goed gekend. Zij was acht jaar toen hun gezin moest onderduiken, haar ‘tante Riek’ heeft ze daarna nooit meer gezien. In oktober 2021 heb ik haar gesproken.

Via deze familie kwam ik in contact met nakomelingen van Hendrika’s jongste zuster Estella. Ook zij hebben nog werk van tante Riek. Dankzij de bereidheid van deze families om mij te ontvangen en van informatie te voorzien, weet ik nu meer van Hendrika van Gelder als persoon en kon ik vierentwintig tot nu toe onbekende werken aan de catalogus toevoegen: de nummers 19 t/m 43.

 

Hendrika’s atelier

Een bijzonder schilderij is het interieur van haar atelier in het ouderlijk huis in de Nicolaas Maesstraat. Dit is het atelier waar de journalist Joseph Gompers in 1925 op bezoek ging om een reportage te maken voor het Joodse weekblad De Vrijdagavond.

Boven de schoorsteen het groepsportret van een kaartspelend gezelschap dat door Gompers beschreven wordt en waarvan een reproductie over is (R.4). Op de ezel een stilleven (het oorspronkelijke schilderij heb ik niet teruggevonden) en aan de muur een portret van een donkere vrouw met een ‘jarentwintigkapsel.’

Op de voorgrond een portret van een oude dame, vermoedelijk Hendrika’s moeder Reintje van Gelder-Simons. Er zijn nog twee portretten van Reintje bekend: een bevindt zich in Amerika, en in Amsterdam is een tekening naar dit portret uit 1927.

Ansichtkaarten uit Menton

Van het ‘herontdekte’ werk is ruim de helft gemaakt in het zuiden. Een achternichtje wist te vertellen dat Hendrika vrijwel elk jaar in de winter met een bevriende familie naar Menton ging. In ieder geval was ze daar in de jaren twintig, getuige twee ansichtkaarten uit Menton (archief 9 en 10).

Gompers beschreef een aquarel en een tekening in kleurpotlood van de Zuid-Franse kust. De paneeltjes waarop zij met olieverf schilderde tijdens deze reizen zijn ca. 18 x 13 cm; dat zal praktische redenen hebben gehad, de meeste zijn studies. Misschien gaf ze die weg aan haar familieleden of hun kinderen nadat ze het onderwerp in haar atelier had uitgewerkt.

Kustgezicht in de buurt van Menton, aquarel.
Kustgezicht rond Menton, tekening in kleurpotlood.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zes en een half dozijn

Hendrika van Gelder kwam uit een groot gezin van twaalf kinderen: ‘zes en een half dozijn’ heette het in de familiekring. De familie was welgesteld en het ging er deftig aan toe. De huwelijken van twee jongere telgen Estella en David werden beschouwd als mesalliances en de betrekkingen tussen hen en de rest van de familie waren verre van hartelijk.

Of dat voor alle broers en zusters heeft gegolden, is niet bekend. In elk geval deed Hendrika er niet aan mee: juist met deze twee gezinnen had zij een warme band. Zij maakte portretten van hen en van hun kinderen, en zij hadden aardig wat kunst van ‘tante Riek’ in huis.

Nog even wachten op de was

Het gezin van neef Abraham, zoon van Hendrika’s jong gestorven broer David, is ondergedoken en heeft de oorlog overleefd. Haar jongste zuster Estella en haar nakomelingen hebben de oorlog ook overleefd. Estella’s dochter Sara en haar man Samuel Biedermann hadden een ‘Sperre’, een document dat dat tijdelijke vrijstelling van deportatie verschafte, maar zij werden toch naar Theresienstadt gestuurd. Het verhaal gaat dat tante Riek op het punt stond om onder te duiken, maar ‘nog even wilde wachten op de was’ en toen werd gehaald.

Volgens haar registratiekaart kwam Hendrika van Gelder op 9 april 1943 aan in Westerbork. Op de kaart is te lezen dat de familie Biedermann al op 10 april contact heeft gezocht met de kampleiding om te laten weten dat Hendrika op de Frederikslijst geplaatst zou worden gezien haar status als kunstenares. Plaatsing op deze lijst, in de volksmond ook wel de Barneveldlijst werd genoemd, gaf bescherming tegen deportatie omwille van maatschappelijke verdienste.

Maar op 14 april was hier kennelijk nog geen duidelijkheid over, getuige de notitie ‘directe bevestiging van plaatsing op de Barneveldijst noodzakelijk’. Op 4 mei 1943 werd Hendrika op transport gesteld. Drie dagen later, op haar 73ste verjaardag, werd zij in Sobibor vermoord.

 

1)

In Memoriam

Met de twee grote naoorlogse tentoonstellingen van omgekomen kunstenaars, bedoel ik Rebel mijn hart in 1995 en Vermoorde Kunst in 2020. In 1945 en 1947  werd er ook aandacht besteed deze kunstenaars, en toen was Hendrika van Gelder nog niet in de vergetelheid geraakt.

Kunst in het harnas

Vlak na de oorlog, in  de zomer van 1945 was er in Het Stedelijk Museum al de tentoonstelling Kunst in het harnas, met als ondertitel gedachtenis tentoonstelling ter eere van gevallen- en vervolgde beeldende kunstenaars.  https://nl.wikipedia.org/wiki/Kunst_in_het_harnas
Van Hendrika van Gelder werd één olieverfschilderij getoond met de wonderlijke titel ‘Gezichten op Menton’. Niet duidelijk is waar het meervoud op slaat. Voor zover ik weet is in ieder geval een schilderij van Menton bewaard gebleven: cat. nr. 31 dat mogelijk het ‘Straatje in Menton’ betreft. Mogelijk leende een familielid die de oorlog overleefde dit uit aan Het Stedelijk Museum.

Zes jaar eerder (november 1939 tot februari 1940) werd in Het Rijksmuseum, dat de grootste kunstschatten elders had opgeslagen vanwege de oorlogsdreiging in de vrijgekomen ruimtes een tentoonstelling georganiseerd onder de titel  ‘Onze kunst van heden.’ Hendrika van Gelder zond vier werken in waarvan twee schilderijen van stadsgezichten: ‘De oude stad Menton’ en ‘Straatje in Menton’, dit laatste zou (nr.31) kunnen zijn. https://nl.wikipedia.org/wiki/Onze_kunst_van_heden

Een droeve lijst

In het najaar van hetzelfde jaar werd er, net als in 1939 Kunst van het heden, een tentoonstelling van ‘hedendaagse’ kunstenaars gehouden in Het Rijksmuseum, nu onder de titel: ‘Kunst in vrijheid’ uitsluitend werk van  kunstenaars die geen lid waren geweest van de Kultuurkamer.
Jan Engelman die de tentoonstelling recenseerde voor dagblad De Tijd wijdde een passage aan omgekomen kunstenaars onder de kop: Een droeve lijst in de Nachtwachtzaal. In die zaal hingen geen kunstwerken, maar een lijst met namen van kunstenaars die hetzij door hun afkomst, hetzij door hun verzetsdaden de vrijheid niet meer hebben meegemaakt. arch. 19

Arti: In Memoriam

In 1947 organiseerde ook kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae een ‘naoorlogse’ tentoonstelling: In Memoriam. Deze traagheid alsmede de kwalijke houding van de vereniging tijdens de bezetting zorgde ervoor dat deze tentoonstelling werd neergesabeld in de pers en dat sommige nabestaanden van de omgekomen kunstenaars, en ook directeur Sandberg van het Stedelijk Museum weigerden werk in bruikleen te geven.

Arti was in 1941 een van de eerste organisaties die op last van de bezetter hun Joodse kunstenaarseden zonder slag of stoot buitensloten en verder ook aan hun lot overlieten. Tien van de vijftien geroyeerde leden, waaronder Hendrika van Gelder, werden in concentratiekampen vermoord, slechts drie geroyeerde Joodse leden overleefden.

Onder de titel: Te laat is er vanuit Arti zelf een onderzoek gestart naar dit oorlogsverleden met als doel in alle openbaarheid te reflecteren op de beslissingen van toen, en daarmee een brug te slaan naar heden en toekomst van de vereniging.
In september 2022 wordt een tentoonstelling en een symposium aan dit project gewijd. Uitgangpunt is de tentoonstelling In Memoriam van 1947, waar ruim 100 werken van omgekomen kunstenaars  werden tentoongesteld. Er is in de vijfenzeventig jaar die voorbijgingen veel werk onvindbaar gebleken, maar niet de drie pastels van  Hendrika van Gelder die destijds werden ingebracht door haar neef Sem Biedermann (cat. 26, 37, 38) Deze zijn nog steeds in bezit van de familie en zullen in september 2022 te zien zijn in de kunstzalen van Arti et Amicitiae aan het Rokin.
Zie: arch. 21